Het inductielasproces van composieten borgen

In dit werkpakket wordt er in samenwerking met TU Delft een manier gezocht om de magneetveldsterkte bij inductielassen accuraat te meten. Dit moet ervoor zorgen dat de foutmarge in het lasproces tot een minimum wordt teruggebracht. Martijn Welsink is de relatief nieuwe werkpakket-leider van dit traject. Aan hem was de uitdaging om de knelpunten glad te strijken.

Een kostbaar teststukje

Momenteel werkt Fokker wekelijks met een teststukje van composietmateriaal dat met inductietechniek is gelast. Deze wordt in het lab aan een stress-test onderworpen om te kijken of het aan de specificaties voldoet. Parallel wordt er wel al seriematig geproduceerd. Procesborging ligt momenteel dus meer aan de achterzijde van het proces, met alle risico’s van dien. ‘Dit proces willen we meer gaan borgen aan de voorzijde’, legt Martijn uit, ‘Straks kunnen we dan hopelijk de frequentie van deze teststukjes terugschroeven, bijvoorbeeld een keer per maand.’

Een stroeve start

Het werkpakket had in het begin te kampen met wat tegenslagen. ‘We probeerden eerst met bestaande, ingekochte apparatuur te werken’, verklaart Martijn, ‘Onze toepassing van inductielastechniek vraagt echter om een frequentierange van 350khz. Dit was niet voorhanden op de markt, het bereik was of te groot of juist te klein.’ De conclusie was dus dat ze toch zelf een apparaat op maat moesten maken. Dit deed Fokker in samenwerking met TU Delft, waar ze inmiddels een werkende testopstelling hebben staan.

Doelstellingen bijstellen

Martijn baalt dat hij nu nog maar beperkt de tijd heeft om de boel op de rit te krijgen, vanwege zijn late aanstelling als werkpakket-leider: ‘We maken mooie progressie en de samenwerking met TU Delft verloopt goed, maar de december-deadline nadert. Misschien kunnen we deze verschuiven naar mei of juni 2018, maar dit staat nog niet vast.’

Het vraagt hoe dan ook om aanpassingsvermogen van Martijn en zijn team. Martijn: ‘Bij aanvang van het project wilden we graag het hele inductielasproces meten en uitpluizen, maar je kunt zóveel meten; soms moet je keuzes maken. Daarom richten we ons nu op de vraag: hoe kunnen we bij Fokker concreet aan de slag met de bevindingen die ze bij TU Delft doen?’

Van lab naar praktijk

Momenteel stuurt Martijn er dus vooral op dat de testopstelling van TU Delft zo snel mogelijk geïmplementeerd wordt bij Fokker in Hoogeveen. Als het aan hem ligt, lukt dit alles nog voor de deadline in december. ‘Dan kunnen we het hier verder ontwikkelen en testen.’ Voor het zover is moet er nog wel het één en ander gebeuren. ‘Nu werkt de proefopstelling in Delft nog met ‘lagere’ instellingen, we moeten dus eerst zorgen dat dit gelijk wordt getrokken met de werkelijkheid’, vindt hij. Ook wil hij weten wat er gebeurt als de nieuwe opstelling stuk gaat: ‘Wie levert er dan een nieuwe? Als er nog zo’n prototype wordt gemaakt, levert deze dan dezelfde resultaten? Dit moet nog onderzocht worden.’

Terug naar project